Al mijn dieren
Een van mijn grootste voldoeningen is dat de kinderen alle drie dierenvrienden zijn. Saskia met haar oude liefde voor paarden, die ik wilde dat ze intensiever had kunnen voortzetten. Misschien Folkert het meest met zijn haast aandoenlijke aanhankelijkheid voor poezen. Ze hebben die trek van de Riemens kant. Ik kan me niet herinneren dat mijn grootouders van 't Lindenhout ooit huisdieren gehad hebben. Ook mijn moeder dus niet in haar jeugd. De enige van die familiehelft die ik met dieren associeer is Tante Sophie, met haar papegaai, het hondje Bijoutje en die kleine poesjes op de photo. Oom Janus was een paardenman, maar of hij die hield voor zijn races of dat hij er daadwerkelijk aan gehecht was weet ik niet.
Moeder hield van dieren, maar was er niet met hart en ziel aan gehecht, zo als Folkert en ik. Het zal blijken, dat ze er makkelijk afstand van kon doen als ze lastig werden. Ze zou beslist en zeker niet - naar huidige mode- een hond de auto uit gezet hebben als ze met vacantie ging, maar ze bracht hem wel naar een asyl, terwijl we eerder de vacantie er aan zouden geven dan het beest die ellende te bezorgen.
De Riemensen echter waren van oudsher dierenvrienden. Toen de familie naar Amerika emigreerde gingen alle honden mee, en er was een heel stel. Een er van, de oude Noor is zelfs zeven jaar later weer naar Holland mee teruggekomen. In Indië als kind had Vader een kanarie waar hij erg aan gehecht was. Die werd door een kat opgegeten, waarop hij zo driftig werd dat hij het beest haast heeft doodgeslagen, en daarna lange tijd geen katten meer kon zien. Een antipathie die later gelukkig afsleet.
Een van de diepste indrukken die ik van Vader bewaar is zijn levenslange liefde voor zijn paard Bully, in Amerika. In Missouri bereed hij dat, inspecteerde er de farm op, en Tante Anna bereed het als zij naar school ging. Ik heb nog een photo van haar op dat paard. Toen vader in Chicago ging studeren drukte hij zijn ouders op het hart goed voor het dier te zorgen. Maar de eerste de beste keer dat hij thuiskwam was het verkocht aan een grocer, en zag hij het terug voor een groentekar. Dat was dus nog in de vorige eeuw. Maar toen Vader in 1941 een zenuwinzinking kreeg, en dagen lang apathisch voor zich uit zat te kijken, werd Bully de catharsis die zijn geest terugriep. Plotseling, schijnbaar zonder aanleiding, barste hij in hevig snikken uit: "Oh Bully, Bully, mijn paardje". Ik wist niet waar hij 't over had, want hij had er nauwelijks over gesproken. "Ik zag het terug voor een kar", snikte hij. Dat alles was 45 jaar geleden, maar de wond was nog niet genezen. Ik heb hem toen meegenomen naar een klein circus dat net tegenover ons in de Dierentuin speelde. "Dan kun je weer paarden zien', zei ik, en van dat ogenblik af werd hij weer normaal.
Leger honden
Op de boerderij de Parel op Walcheren (alweer een freudiaans toeval dat ik een van onze katten Pareltje noemde) hadden de Riemens een leger honden, katten en andere dieren. In Amerika ook. Een alles moest mee heen en weer emigreren. Ik heb nog een photo van een van mijn neven die als kind het leger honden staat te voeren. Noor is de enige waarvan ik de naam ken, omdat mijn vader eens van een van onze honden zei: "Het is net de oude Noor".
Het oudste dier dat ik me herinner was een hond, Wiesje, in Zevenbergen. Die was er al toen ik geboren werd, want Vader en Moeder hadden het in Indië gekocht en meegebracht. Het was een gladharig wit hondje van ongedefinieerd ras. Mijn moeder noemde het Lietje, naar haar vriendin Lide Bertels. Toen ze die dat schreef was zij hoogst beledigd, en in Nederland werd de naam dan ook veranderd in Wiesje. Wiesje was het hondje van mijn kleuterjaren. In het laatste jaar in Zevenbergen kreeg het jongen, hoewel Wiesje toen al zo'n jaar of acht, negen was. Het werd een der redenen waarom we Zevenbergen uit gingen. een heel kleine nevenrede, maar toch een supplementaire factor. We hadden buren, de Bouwmeesters, die ook een hond hadden, een reu. Aanhoudend had mijn moeder gewaarschuwd, die uit onze tuin te houden, maar hij groef zich onder de schutting door. En zo werd Wiesje op middelbare leeftijd zwanger, had een moeilijke bevalling, en bracht één levend jong ter wereld. Het resultaat was hevige ruzie met de Bouwmeesters, culminerend in wederzijds gepest, wat met buren altijd funest is.
Een jaar later verhuisden we naar Amsterdam, waar we eerste een paar maanden in pension gingen, voor we een eigen huis betrokken. En dat werd het eerste voorbeeld waarop ik doelde. Wiesje die helemaal uit Indië was meegekomen kon niet mee naar Amsterdam. Wat er met haar jong gebeurd is kan ik me niet herinneren, maar Wiesje werd gegeven aan een boer, die beloofde goed voor haar te zorgen. Ik was er bij dat we haar met het rijtuig er heen brachten. Ik kan die rit nog beleven, voel er volkomen de sfeer van aan. Het was mijn eerste confrontatie met een afscheid. Ik keek naar Wiesje en dacht - toen ik vijf jaar was - straks zie ik haar niet meer. Ze blafte ons na toen we wegreden, en dat was het einde van mijn eerste dier.
Vijfjarige is niet gek
Ik herinner me plotseling die morgen van mijn vijfde verjaardag. Ik zal toen wel papier maché soldaten gekregen hebben, want die verzamelde ik toen. Maar ik zie nog voor me hoe ik een klein bandje met een poppetje er in kreeg, en hoe Vader zei "Dat is van Wiesje'. Plotseling voelde ik dat daar iets niet klopte. Ik zag de winkel op de markt waar alleen tegen Sinterklaas speelgoed verkocht werd vóór me en had een onwijs beeld van Wiesje die de winkel kwam inlopen, zijn poot opstak en het bandje in zijn bek nam. Een vijfjarige is ook niet gek, al denkt men dat doorgaans. Dat ene jaar in Amsterdam op de Weteringschans hadden we korte tijd een poesje, maar ik geloof dat dat doodgegaan is. En toen kwam de grote reis naar Indië, via Amerika. Geen beesten in mijn leven tot Madioen. Daar had de hond van de hotelhouder Berensteyn jongen gekregen, en er werd er mij een beloofd. Ik koos het uit het nest, maar het was nog te jong om van de moeder af te kunnen. Maar ik ging er dagelijks naar kijken, en noemde het Beertje. Ik heb het nooit gehad, want voor het gespeend werd, werd Vader overgeplaatst.
Op weg naar Poeloe Laout kocht Vader in Soerabaya een kaketoe, een witte met een grote kuif. Die ging mee, en een half jaar later ook weer naar Soerabaya terug. Die vogel was Vader' s lieveling. Het was kennelijk een wijfje, want Moeder kon ze niet uitstaan, en die liep er met een respectvolle boog omheen. Maar Vader kon er alles mee doen. Praten deed ze niet, maar ze zat op Vader' s schouder en pikte haartjes uit zijn oor, gaf hem kusjes, betuigde ondubbelzinnig haar liefde en verknochtheid. Ook Kaka hebben we niet gehouden. Toen we eind 1920 naar Holland teruggingen, en eerst drie maanden in pension, werd Kaka aan iemand verkocht. Dat was precies op Vader 's verjaardag. Ze kwamen haar 's middags halen, toen ik voor de middagrust op bed lag, maar ik hoorde hoe Vader afscheid van haar nam, en snikte het uit, niet voor Kaka, maar uit medelijden met mijn vader die zo veel van de vogel hield.
Trouwens, ik herinner me nu dat mijn ouders vóór mijn geboorte in Indië een Beo gehad hebben. Dat was een mannetje en Moeder' s vogel. En die kon enorm praten, zelfs zingen. Ook ken hem alleen uit gesprekken, maar weet zo dat hij een Maleis liedje begon' Tabeh nonja, tabeh, saja mau...' en verder kwam hij niet. Een zwarte vogel met een gele snavel. Ik geloof dat hij gestorven is.
In pension, in Soerabaja, op Kadjoen beloofde de baboe Isa (waarover elders uitvoerig meer) me een katje te zullen meebrengen, want ze kwam bij een Nonja die kleine poezen had. Maar ze kwam die belofte nooit na. Iedere keer keek ik naar haar uit, als ze 's morgens kwam maar nooit was de kat er bij. Zodat behoudens Kaka de drie jaar Indië dierloos waren.
Terug in Holland, in Amsterdam op de Stadhouderskade hadden we eerst een grote wollige hond (precies de oude Noor) die Hertha heette. Het dier had geen leven. Zondags maakten Vader en ik grote wandelingen met haar op de zandvlakte in Zuid, waar nu de Amstellaan is. Daar rende ze rond en had ze plezier, maar in huis zat ze opgesloten in vader' s z.g. laboratorium, waar hij zijn pillen fabriceerde. Want Hertha was niet zindelijk en deed plasjes ten tijde en ontijde en doorgaans misplaatst. Dus moest Hertha weg. We brachten haar (Vader en ik) naar een patiënt over het Ij, die er zich over ontfermde.
Ongeveer terzelfdertijd ( of was het nog voor Hertha?) hadden we ook een kat Moortje. Niet SAMEN met Hertha, want ook Moortje werd verbannen naar het souterrain . We hebben hem kort gehad, en ik herinner me niet waar hij gebleven is. In de zomer van 1923 waren we met vacantie in Kleef, en daar kocht Moeder een reepinchertje. Tante Sophie' s Bijoutje's herinnering werkte nog steeds na. Moeder had graag kleine hondjes. Hansi heette het kreng. Het was niet alleen een keffertje, maar nog vals ook. We waren nauwelijks thuis, toen ik ziek werd en op bed door Hansi werd aangevallen die me bij de arm had en met zijn kleine scherpe tanden geducht bezeerde. dat bezegelde Hansi' s lot. Hij verdween, zonder enig leedwezen mijnerzijds.
Boesje
Toch kwam er een klein hondje. Tante Christine had het in Düsseldorf gekocht, waar ze toen woonde. Maar die was erger als Moeder, en absoluut geen dier waard. Ze ging terug naar Amersfoort, en of wij Boesje ( de oorspronkelijke naam zal Busel geweest zijn) wilden overnemen. Haar hebben we zes jaar gehad, tot haar dood toe, en het was de eerste der permanente huisvrienden. Toch deed haar entree iemand pijn. Want Boesje was de lieveling van mijn neefje Piet. Die droeg het diertje onder zijn trui bij zich, en gaf het zijn volle liefde. Die wederzijds was, want nog jaren later hoefde ik maar te zeggen 'waar is Piet?' of Boesje zat recht overeind en probeerde te kwispelen met een staartje dat er niet was. Boesje werd Vader 's hondje. 's Avonds zat het bij hem op schoot terwijl Vader zijn pijp rookte en uit een van zijn dikke boeken studeerde. Zij liep Vader overal na. Ik had weinig contact met het diertje, hoewel ik er alle moeite voor deed. Maar ik was Piet niet, en Vader was diens opvolger. Het was het kleinste hondje dat ik ooit gezien heb. Bruin gladharig, en zo klein dat het in je broekzak ging. Het had een korfje, een soort huisje waarin het sliep. Boesje ging zomers mee op vacantie. Geen mens die daar bezwaar tegen kon hebben. Trouwens op de tram ging het korfje dicht en zag geen mens dat het een hond was. Door de korte haren was het kouwelijk, en 's winters als het uitging moest het een jakje aan, dat Moeder voor haar gebreid had. Ze had zo een hele garderobe. Boesje was de lieveling van alle kinderen die aan huis kwamen, een bezienswaardigheid. Zelfs Oma was op haar gesteld, noemde het Bijoutje. Boesje heeft vele andere dieren overleefd, want er was nooit sprake van dat ze weg moest. Daar was ze veel te klein voor. Zelfs en pension en op kamers in Amsterdam was Boesje er bij. Op kamers op de Weteringschans, naast ons vroegere huis, liet Moeder Boesje uit op het balkon, als het koud was en te vermoeiend om het langs de steile trap twee verdiepingen naar beneden te dragen. Dan gooide ze er een ketel warm water overheen, wat goed ging, tot ze daarmee de onderbuur, de photograaf Goedknecht, raakte, wiens gebrul drie verdiepingen hoog tot ons opsteeg. Boesje stierf op Nieuwjaarsdag 1930. Ze had het korte tijd aan haar nieren gehad, maar plotseling raakte ze in een coma, en heeft toen van Vader een spuitje gehad. De dag tevoren had de vogel Poenglor dood in zijn kooi gelegen, en dezelfde Nieuwjaarsdag kwam Oma te vallen en brak haar heup. Zelfs toen ze krimpend van de pijn bij ons op bed gelegd werd zei ze" Die arme Boesje ".
Het mysterie Poenglor
De vogel Poenglor, een mysterie. Vader bracht die mee van een van zijn reizen als scheepsdokter naar Indië. In Straat Soenda zag hij een commotie onder de inlanders, en poolshoogte nemend zag hij dat ze een vogel in hun hand hadden die aan boord was komen vliegen. Een wat grauwzwarte vogel, en niemand wist welk soort hij was. " Poenglor toean ", zei een van de inlanders, en Poenglor zou het blijven. Hij bleef bij Vader in diens kajuit, en we hebben hem anderhalf jaar kunnen houden in een kooi. Nooit heb ik een vogel zo mooi horen fluiten. Had ik toen maar een bandrecorder gehad om het nog eens te kunnen horen! Het was ook een van Vader' s lievelingen, hing op de Breitnerlaan in diens spreekkamer, tot hij op Oudejaarsdag 1929/1930 plotseling dood in de kooi lag, de poten recht naar boven. Voordien had het ook al eens zo gelegen, tot onze grote schrik, maar toen ik Vader gehaald had zat hij weer op zijn stokje en floot het hoogste lied. Maar dit keer was het ernst. Moeder wilde hem in de vuilnisbak deponeren, toen plotseling Vader een inval had. Hij belde Artis op en vroeg of ze de vogel wilde hebben om op te zetten. Dat gebeurde. Vijfentwintig jaar hoorden we er niets meer van, tot ik omstreeks 1955 een brief van de conservator van het Artismuseum kreeg, waarin deze (aan mijn Vader gericht, die toen al dood was) vroeg om nadere informatie als vindplaats etc. van de uiterst zeldzame .... Een bijzonder dure Latijnse naam, die 1930 aan Artis geschonken was, en die hij nu in een collectie opgezette vogels ontdekt had. Het enige exemplaar dat hem bekend was! Helaas, ik kon geen inlichtingen geven, en ben de brief kwijtgeraakt. Theoretisch moet het mogelijk zijn Poenglor in Artis terug te zien, levensecht, maar helaas...zonder zijn wonderlijke gezang.
Wally
In de twee jaar dat we in Zandvoort woonden, toen ik zestien en zeventien was, hadden we ongeveer een jaar een teckel Wally. Dat was de eerste van de dieren waar ik een bijzondere band mee had. Wally was mijn hond, een hartelijk, lief en intelligent dier. Als ik mijn huiswerk zat te maken zat zij naast me, keek me aan en zwaaide met haar staart. Eens liet ze me schrikken, ze was bijna gestikt. Ik had moeite haar bij te brengen, maar ze deed dat gelukkig, en deed daarna uit dankbaarheid een aanval op me om me finaal af te likken. Ergens heb ik een Wally-complex zoals Vader dat met Bully had. Want ook ik voel dat ik haar verraden heb. In ieder geval dat ik niet voor haar pal gestaan heb. Toen we in september 1928 op kamers naar Amsterdam gingen bleek dat Wally 'lastig' was. Ten slotte was Boesje er ook, maar die was zo klein dat ze niet meetelde. Maar op de vierde verdieping van een grachtenhuis aan de Prinsengracht moest Wally elke twee uur of zo uitgelaten worden. Dat mocht daar niet in de tuin, maar buiten. Ik deed 't met liefde, maar als ik op het conservatorium was, kon ik het niet doen. En Wally was een vrouwtje, en die schijnen meer te plassen dan mannetjes. Wally deed dus plasjes, eens tegen een koffer waarin ik al mijn platencatalogi had, die er een gele vlek van over hielden. En toen we na twee weken naar andere kamers gingen ( de Weteringschans) vond Moeder dat het niet doenlijk was Wally te houden. Vader had haar als jong hondje gekregen van een oud-patiënt, een kapper op de Prinsengracht bij het Amstelveld. Ik ging er heen en vroeg hem of hij Wally kon terugnemen, maar daar kwam niets van in. Dus zette Moeder een advertentie, en toen ik op les was, kwam er iemand die Wally kocht. Mensen met een auto, zei Moeder, waar zij prinsheerlijk op de achterbank ging zitten, en die gek met haar waren. Ik heb zelfs geen afscheid van Wally kunnen nemen. Maar telkens als ik een teckel zie heb ik een krop in mijn keel. Zij hing aan mij als pareltje aan Folkert of Topper aan Rie. Na de dood van Boesje gebeurde er nog iets vreemds. Drie jaar later maakte ik een kiekje van Vader en Moeder in de tuin in Den Haag. Vader stond een grapje te maken, en ze staan er lachend op. Maar toen de afdruk kwam zagen we duidelijk in het revers van Vader' s jas een hondenkopje: Boesje. Dat kiekje heb ik nog ergens. Dacht Vader aan het hondje of was het nog altijd bij hem?
De laatste maanden in Amsterdam, voor Oma's dood en de verhuizing naar Den Haag kregen we een klein poesje, ook een van 'mijn' dieren. En met schande realiseer ik me dat ik niet op zijn naam kan komen. Het was een katertje dat besneden werd. Het ging mee naar Den Haag ( was het misschien toch ook een Moortje?), maar helaas, het werd ook verbannen naar een zolderkamer met alleen bovenlicht 'omdat het anders weg zou lopen'. Ik nam hem altijd op mijn kamer, daarnaast, als ik daar was, en soms mocht hij ook beneden komen. Ik hield zoveel van het dier dat me soms de tranen in de ogen kwamen. Folkert heeft het van niemand vreemd. Maar de kat kreeg verkeerde voeding, misschien teveel kattenbrood, te weinig vitaminen. Hij werd ziek, liet zijn urine lopen, en had volgens de veearts een niersteen. In 1932, nog maar twee jaar oud, moest hij worden afgemaakt, ook terwijl ik net niet thuis was. Hij was al weg toen ik thuiskwam.
Patsy
Kort daarop kwam de hond die na Boesje de grootste huiskameraad geweest is: Patsy. Een ruwharige fox-terriër, die misschien een jaar was toen we haar kregen. Misschien ouder, dat weet ik niet. We hebben haar acht jaar gehad tot haar dood toe. In Den Haag, Zandvoort, Amsterdam en weer Den Haag. Patsy was een familiehond, niet van één specifiek lid er van. Tenzij ze aan Vader de voorkeur gaf. Ze was vriendelijk en hartelijk maar als alle terriërs had ze haar hebbelijkheden. Een daarvan was dat alles wat op de grond lag van haar was. Liet je een potlood vallen en probeerde je het op te rapen dan vloog ze er op af en probeerde je in de vingers te bijten. Alléén in zo'n geval. Verder kon je alles met haar doen. Maar wat op de grond viel was van haar en daar bleef je af. Ten tweede kon ze niet tegen niesen. Als je al aanstalten maakte om hatchie te zeggen stond ze voor je met alle haren overeind, grommend dat je dat te laten had, want dat dit niet te pas kwam. Voor de rest deed ze geen vlieg kwaad, ook geen andere hond. Ik memoreer dat uitdrukkelijk omdat haar jong daar nu weer een zwak voor had.
Patsy was het enige dier dat na Wiesje bij ons aan huis bevallen is, tot het record in 1975 gebroken werd door de poes Pareltje. Dit keer was het geen abusievelijk slippertje, maar een geplande dekking. En wel door een ruwharige fox in Zandvoort. Er werd gestipuleerd dat de eigenaar van de reu géén recht had op een jong uit het nest. De paring werd financieel geregeld. Ik was er bij toen de jonge hondjes kwamen in 1934 in Zandvoort. Moeder was niet thuis, op bezoek in Amsterdam. Vader assisteerde bij de bevalling en er waren twee jongen. Een derde was dood. De jonge hondjes waren een reu en een teef. De laatste noemde ik Colleen (naar een van mijn filmfavorieten: Colleen Moore), de andere - om in de Ierse stijl te blijven - Paddy. Paddy was een mollig jong, Colleen fijn gebouwd, wit en sierlijk. Het was wel duidelijk dat mettertijd Paddy moest verdwijnen. Katers worden besneden, maar honden niet, en met twee vrouwtjes konden we er geen mannetje bij houden. Dat voorjaar waren de honden overdag in een soort kennel die Vader in de tuin getimmerd had, en gelukkig heb ik photos van het stel.
Mijn pech was natuurlijk dat Paddy van meet af aan mijn hondje was. Het toonde een natuurlijke voorkeur voor mij en hechtte zich aan mij, terwijl ik wist dat ik hem niet zou kunnen houden. Maar er werd een oplossing voor gevonden. Tante Christine wilde hem hebben, en dan kon ik hem toch af en toe zien. Niet zo vaak, want ze woonde toen in Bussum, daarna in Amsterdam. Inderdaad heb ik hem daar nog één keer ontmoet, waarbij de vreugde wederzijds groot was. Maar Tante Christine was geen enkel dier waard, en neef Arie nog minder. En toen ik weer naar Amsterdam kwam moest ik horen dat ze Paddy weggedaan had, naar de eigenaar van Hotel Polen aan het Rokin. En zowaar: nog één keer heb ik hem daar gezien. Omstreeks 1937 liep ik op het Rokin toen ik hem daar zag, aan de lijn, uitgelaten door een dienstmeisje. Ik herkende hem onmiddellijk. Hij zag er niet opgewekt uit, sjokte gedwee mee aan het lijntje. Mijn impuls was hem te roepen, maar ik onderdrukte die. Het had geen zin meer. Of hij zou me niet herkennen, wat een teleurstelling voor mij zou zijn, of juist wel, en dan zou ik hem alleen maar verdriet bezorgen. Daarbij zag het dienstmeisje er verre van vriendelijk uit, en zou die kunnen denken dat er iets anders achter stak. Dus liep ik door, toch telkens weer omkijkend. Ik heb hem daarna nooit meer gezien. Colleen bleef en met Patsy bleef de Moeder - dochter verhouding. De twee trokken met elkaar op, hadden een enkele keer ruzie, maar nooit erg. Patsy wist wel degelijk dat Colleen een dochter was. Colleen was het zachtste hondje dat ik ooit gekend heb, Patsy kon bijten als zij de pest in had en je moest oppassen met kleine kinderen. Maar Colleen was daar vertrouwd mee. Je kon een baby bij haar neerzetten. Maar geen andere hond. Haar kronkel was dat ze niet te vertrouwen was voor welke andere hond dan ook, behalve Patsy. Je liep met haar op straat aan de lijn, en een of andere hond kwam vriendelijk op haar af om te sniffelen, en HAP zei Colleen, liefst in de snuit. Al was het nu een Sint Bernhardt, een kalf van een hond, Colleen hapte er naar. Aanvallen was het woord niet. Ze nam een onverwachte schuiver en zei HAP. Terwijl Patsy zich nergens mee bemoeide, en deed of het haar niet aanging.
Haat tegen keuterboeren
Een wandeling met de twee blijft me heugen. Van de Breitnerlaan wandelde ik langs de toen nog rustieke Wassenaarseweg, een laantje waar ik de enige wandelaar was, naast een sloot. Ik liet de honden los, en Patsy maakte een blunder. De sloot was vol met groen kroos, en blijkbaar dacht ze dat dit gras was. Ze wandelde rustig op de sloot af, deed er drie stappen op, en zakte toen loodrecht in de smurrie. Nu liep de sloot lager dan het weggetje. Hoewel ik niet zwemmen kan had ik geen keus. Ik liet me het heuveltje afzakken en stapte ook de sloot in, waar ik tot over mijn middel in wegzakte. Ik greep op de tast en kreeg Patsy door een wonder te pakken. Tilde haar naar boven op de weg, waar zij zich uit ging staan slaan, en probeerde toen moeizaam de sloot uit te komen. Het was een nachtmerrie, want de modder zoog en ik moest me tegen de wal ophijsen. Voetje voor voetje trok ik me naar boven, en moest toen eerst Colleen opjagen, die een eind verder gelopen was. Toen die landweg af tot over mijn middel in de stinkende modder. Dat ging goed tot de Alkemadelaan, maar toen moest ik die oversteken, en dan nog een paar honderd meter door de Breitnerlaan. Aangegaapt en met twee honden aan de lijn, waarvan de een ook onder de modder en het kroos zat, kwam ik thuis. Gelukkig was moeder er niet. Ik dook het bad in, met Patsy, maar ondanks de stomerij rook ik de stank van die sloot nog weken later.
Patsy is gestorven in November 1939. Moeder was die avond uit, en ik weet nog hoe ik die avond naar de radio zat te luisteren. 's Morgens lag Patsy dood in haar mand. Het leek of ze rustig lag te slapen, en ik heb nog een photo zo van haar gemaakt. Ze werd begraven op het hondenkerkhofje in Leidsendam, dat toen door een dame was gesticht. Ze kreeg zelfs een grafsteen met haar naam, die ik ook photographeerde gelukkig. Boesje was in Sloterdijk op een soortgelijk dierenkerkhof begraven. Ik heb Patsy's grafje nog enkele keren bezocht. En als ik met de trein naar Amsterdam ging keek ik telkens die kant uit en dacht: dar bij dat huis ligt Patsy. Na de oorlog ging ik er weer heen en er was niets meer. De boer aan wie de dame de grond verpacht had was altijd al jaloers op dat stukje land waar die beesten op lagen. Nu ze dood was zag hij zijn kans. Hij sloeg alle stenen stuk en gooide ze in de sloot, liet de varkens de grond omwoelen. Tot de erfgenamen van de dame de orde probeerden te herstellen en te redden wat er te redden viel. Er lag een hoop stukken steen, maar ik vond er die van Patsy niet bij. Aan de hand van de photo' s probeerde ik de plaats te bepalen me oriënterend op de boerderij. Maar alles was zo veranderd dat het ondoenlijk was. Ik heb er een haat tegen keuterboeren aan overgehouden.
Colleen
Colleentje bleef over, maar is niet oud geworden, net tien jaar. Nog op de Nieuwe Uitleg, waar Patsy stierf, kreeg ze kanker aan een tepel. Ze werd geopereerd en wist dat ze niet zo lang meer had. Krampachtig probeerde ik een goede photo van haar te krijgen, want ik had alleen kiekjes als jong hondje, geen enkele van later. Geen enkele photograaf wilde het want intussen was het de winter van 1942-1943 en materiaal was schaars. Een hond photographeerden ze niet, zeiden ze. Tot ik één pasphotograaf vond die het deed. Zo heb ik een mooi portret van Colleen, zittend op een tafeltje. Je ziet het leidsel dat ik vasthield, maar ik sta er niet op. Toch heeft ze nog meer dan een jaar daarna geleefd. Eerst nog kwiek als altijd. Maar in de Schyutstraat begon ze moeilijk trappen te lopen. Ze liep dan moeder na naar mijn kamer, treedje voor treedje, heel moeizaam. Ze is een natuurlijke dood gestorven, en we begroeven haar in de tuin. Toen zeven jaar later Wim de tuin in orde zou brengen zei hij dat hij twee hondenskeletten gevonden had. Dat was Colleentje, de andere was Joy. Want toen Colleen dood was moest en zou ik een andere hond hebben. Een huis zonder dier was voor mij een onhebbelijkheid geworden. Ik kocht dus weer een ruwharige terriër in en dierenwinkel, in de zomer van 1944. Dat had ik beter kunnen laten. Colleen was net op tijd doodgegaan. Nauwelijks had ik Joy of er kwam een Duits decreet dat alle honden ingeleverd moesten worden. Daar trapte ik natuurlijk niet in, maar Joy kon toen niet meer naar buiten, en moest alleen 's avonds in de tuin uitgelaten worden, onder toezicht dat ze niet blafte. En dat was het begin van de hongerwinter. We hadden zelf al niet genoeg, maar ik probeerde Joy op de been te houden door het uit mijn mond te sparen. Maar geen hond eet tulpenbollen. Ze werd met de dag magerder, en voor ik het wist was ze dood. Feitelijk voor we nog echt aan elkaar gehecht waren. Ze werd naast Colleen begraven. Intussen was er nog een ander dier geweest. Mijn neef Piet ( niet van Tante Christine, maar de een volle generatie oudere Riemens ) was uit Indië teruggekomen en had een soort dierenimport.
Lorre
Moeder had altijd een papegaai willen hebben, denkend aan die van Tante Sophie. En dus kochten we van Piet voordelig een groene roodstaart. Hij bleek nog beter te praten dan die van Tante Sophie. Als mannetje was hij ook nog vertrouwder met Moeder en hij imiteerde kostelijk haar stem. De luidspreker stond vlak achter hem, en die was verbonden met de radio boven op mijn kamer, in Zandvoort. Die werkte zo als microphoon, en boven hoorde ik alles wat in de huiskamer gezegd werd. Op een keer schakelde ik zo in, en hoorde ik mijn Moeder een heel verhaal doen, tot ik me realiseerde dat het Lorre was. Wat hij allemaal zei weet ik niet meer, maar toen hij dood was heb ik een lijst gemaakt van alles wat ik me herinnerde dat hij gezegd had, en dat waren meer dan honderd woorden en zinnen.
Hij was dikke vrienden met Patsy. Die stond vaak voor de kooi aandachtig de vogel te observeren. Lorre keek hem dan recht aan en zei 'Foei Patsy, heb je gedaan, stoute hond, plasjes hé?' alles achter elkaar en met precies de intonatie en het timbre van Moeder' s stem. Patsy droop dan af met de staart tussen zijn benen. Hij had een liefde voor verkleinwoorden. Zaten we te eten dan teemde hij 'Lekker koekje gehadje'. Fluiten deed hij ook, hele melodieën, en evenals de beo kende hij flarden van liedjes met tekst, zo als Oranje boven, oranje boven, leve de ... en dan kwam hij niet verder.
Het was een lief dier. Zelfs ik, die een angst voor vogels heb, kon hem over de kop aaien en zijn snavel beetpakken. We hebben hem zes jaar gehad. Hij is van Zandvoort meegegaan naar de twee Amsterdamse adressen, toen naar Den Haag naar de Breitnerlaan, en hij stierf in het voorjaar van 1945. Of beter in de late zomer. In de Meidagen, toen er druk geschoten werd op het Malieveld moesten we een avond het huis evacueren. Met de twee honden en de kooi met Lorre stonden we om de hoek van de Nieuwe Uitleg tot we weer terug mochten. Uit veiligheidsoverwegingen zetten we daarna de kooi uit de huiskamer in de keuken in het souterrain. En daar bleef hij staan. Daardoor had het beest veel minder gezelschap en ook konden we zijn speciale zaad niet meer krijgen. We probeerden het met ander voedsel maar hij ging zienderogen achteruit, en was ook plotseling dood. Ik vergat te zeggen dat Patsy een hartverlamming gehad had, doordat zij al een tijdje reumatisch was. En in dat huis werd de centrale verwarming veel te laat aangezet, waardoor ze waarschijnlijk ook een kou opliep. Lorre hebben Vader en ik op dat kerkhofje begraven naast Patsy. Dat moest stiekem gebeuren, want dode dieren moesten ingeleverd worden. In een doos brachten we hem naar Leidschendam, waar we een schop te leen vroegen en begroeven hem naast Patsy. 'Die hebben elkaar goed gekend', zei vader. 'Het waren vrienden'. Daar lagen ze dan tot die rotboer er zijn varkens op af stuurde.
Willie
Laat ik over Willie schrijven nu ik nog vol van hem ben, en hem een monumentje zetten. We kwamen na vijf vermoeiende dagen terug uit Den Haag en Amsterdam waar we audities voor het opera-concours hadden afgenomen. Folkert en Elly waren mee geweest. Thuis kwam Folkert in alle staten naar me toe dat Saskia alle kranten van die dagen in het kraaienhok gestopt had. Ik dacht dat hij de buren bedoelde, waar ik regelmatig de dubbele kranten in de bus stopte ( waar ik overigens nooit een bedankje of zelfs maar reactie op gehad heb), dus dacht ik: die vraag ik dan wel terug. Maart toen hoorde ik dat Henk uit Oirschot een jonge kraai had meegebracht die uit het nest gevallen was en nog niet voor zichzelf kon zorgen. Ik was daar bepaald niet mee ingenomen, want ik dacht direct aan de katten. Hij zat in een doos in de serre, en die eerste avond heb ik hem niet gezien. De volgende morgen ging ik kijken, en schrok eerst want hij zat vervaarlijk tegen me te schreeuwen. Maar al heel vlug leerde ik dat hij dat alleen deed omdat hij honger had, en je hem gewoon een stukje geweekt brood met wat zaadjes diep in zijn bek kon duwen, zonder dat hij zijn snavel dicht deed.
Al heel vlug kon hij de doos uitkomen, en na enkele dagen mocht hij zelfs in de tuin. Nog wat verder en hij huisde in de tuin, en kwam binnen als hij er zin in had. Topper was direct goede vrienden met hem, likte hem zelfs op zijn kop. Tikous was ook direct aan hem gewend. De eerste keer dat hij op hem toe kwam deed Willie luid zijn bek open, en nam Tikous de benen. Later kon Tikous hem helemaal besniffelen. De dikke Kruimel had helemaal geen interesse, alleen Pareltje was in 't begin iets agressief, maar wende ook al vlug.
Twee en een halve week hebben we hem gehad, en van dag tot dag ging ik meer van de vogel houden. Hij kwam op onze arm zitten, liet zich over zijn veren strijken en zijn kopje aaien. Hij kende al heel vlug de naam die Henk hem gegeven had, reageerde er direct op, met de kop wat schuin. Hij had een eigen taaltje. Luid krijsen deed hij als hij honger had. Aan een paar stukjes had hij genoeg, en dan zei hij een tevreden 'Brah'. Zat hij op de arm en praatte je tegen hem, vooral bij Rie met zijn kopje tegen haar wang, dan had hij zachte tevreden geluidjes. De mensen hadden de moedertaak voor hem overgenomen, en ik voelde dat hij een intense liefde voor ons had, ons volkomen vertrouwde.
Ik wist dat hij geen blijver zou zijn, want Henk was er tegen om hem te kortwieken. Hij moest eerst voor zichzelf leren zorgen, en dan de vrijheid terug krijgen als hij daar zin in zou krijgen. In die kleine drie weken groeide hij als kool, en de laatste week begon hij zelf te drinken en nam hij zijn eerste poedelbadje in een bord met water. Henk en Elvira leerden hem vliegen door hem op te gooien waardoor hij van zelf moest neerstrijken. Een keer gooide Elvira hem te ver en kwam hij over de muur bij de achterburen terecht, waar we hem weer vandaan gehaald hebben.
Na Lorre was dit de eerste vogel waar ik weer om gaf, en ik was zelf verbaasd hoeveel dat zwartje beestje voor me betekende.. Telkens ging ik de tuin in om met hem te praten, en altijd reageerde hij. De laatste dag was het hoogtepunt. De dag tevoren had Elvira hem nog wat frambozen van de struik laten pikken. 's Morgens ging ik de tuin in en zag hem niet, maar hij kwam luid schreeuwend uit de serre op me af. Ik zocht eten voor hem op de tuintafel, maar zag niets staan, dus zei: " Ik ga wat voor je zoeken ". Hij waggelde toen vlak achter mijn hielen aan de bijkeuken in, toen de andere keuken, tot bij de ijskast. Ik vond niets bruikbaars dus liep de gang in om Elvira van bed te roepen, en hij volgde me tot aan de trap. Die dag moesten we naar Keulen. Daarna zag ik hem voor het laatst. 's Avonds keken we naar de TV naar een waardeloos stuk, uit pure verveling, en daarna was ik in de platenkamer bezig toen Rie kwam zeggen dat Willie gevlogen was. Ze ging met Saskia op de laan navraag doen. In de tuin achter ons was hij niet, maar Anne van de buren zei dat hij wel een half uur op de muur gezeten had, en toen op haar platje gevlogen was waar hij ook nog lang gezeten had. Ze hadden niet gewaarschuwd omdat ze dachten dat we niet thuis waren. Absurd, want er brandde licht, en ze hadden minstens kunnen aanbellen op opbellen. Hij was toen naar een boom van verdere achterburen gevlogen.
Iedereen dacht hij 's morgens wel weer naar onze tuin zou komen om eten te vragen, en Elvira was al om zes uur op om hem te vangen. Ze riep hem, maar kreeg toen meteen de wind van voren van de buurman die riep dat hij slapen wilde. Ze ging toen weer naar bed, en ik loste haar af. Willie kwam niet. Ik weet nu dat hij precies de andere richting uit gevlogen was.
's Morgens gingen we navraag doen bij de huizen in de naaste omgeving. Elvira deed de ronde met Wouter, het zoontje van twee huizen verder. Helaas: die avond toen Rie en Saskia op zoek waren bleven ze bij Anne hangen en gingen niet verder. Ik ging op mijn beurt op zoek naar hen, en zag hen daar binnen zitten, ging er binnen, met als resultaat dat ik de voordeur open liet en Tikous er uit liep. Daar hebben we uren naar gezocht en tenslotte in een voortuin gevonden. Hadden we verder gegaan en ook de verder huizen gealarmeerd, dan hadden we Willie de volgende morgen kunnen redden. Want toen bleek dat iedereen hem die morgen had gezien en gehoord had, maar hij was altijd weer weg als we daar kwamen. Zo kwamen Elvira en Wouter bij het huis van Fien en Maai, op het eind van de straat, en zei Wouter dat die niet thuis, met vacantie waren. Dat was juist precies het huis waar Willie op dat ogenblik was.
De hele morgen had ik intense hartkloppingen. Ik voelde de angst van de vogel in mezelf, het leek of mijn hart ieder ogenblik zou barsten. Tenslotte zette ik een plaat op en al luisterend zakte ik een moment weg. Plotseling was het alsof mijn hart stilstond. De kloppingen waren weg en ik zag Willie zo duidelijk voor me of ik hem grijpen kon. Ik wist toen dat hij dood was, maar wilde het me niet realiseren. De hartkloppingen waren weg. Maar ik had een intense leegte, of er van binnen iets weg was en een holte had achtergelaten.
's Middags ging ik nog de hele buurt langs hopend hem ergens te zien, en ik dacht toen: 'Nu ja, hij is kennelijk uit de tuinen van dit blok gevlogen en het is zulk prachtig weer, hij heeft zijn vrijheid gekregen. Maar toen trof ik, toen ik thuiskwam, Maai voor de deur. Ik vroeg, als overal om naar een kraai uit te kijken, en hoorde toen dat Willie 's morgens bij hen in de tuin geweest was, luid schreeuwend, kennelijk wanhopig. Hij probeerde krampachtig het huis binnen te komen. Ik vraag me af: alle kraaien zien er voor ons gelijk uit. Zien de mensen er voor de vogels gelijk uit? Heeft Willie gedacht dat hij thuis was, eindelijk weer bij zijn mensen die voor hem zorgden? In plaats van de vogel te vangen, want Maai had gezegd 'Dat is een tamme kraai, die is mensen gewend', lieten ze hem over de muur van hun tuin vliegen, onze richting uit.
Terwijl 's morgens tot een uur of half tien iedereen hem gezien en gehoord had ( maar niemand een vinger uitstak ), viel me op dat nadien niemand hem meer hoorde of zag. Mijn hartkloppingen hielden op, en ik had dat half slapende visioen, omstreeks half elf. Toen moet een kat hem te pakken gekregen hebben, waarschijnlijk terwijl hij juist op weg naar huis was. De hele dag en de volgende dag zag ik Willie voor me. In bed probeerde ik aan andere dingen te denken, maar telkens weer zag ik hem zitten. Ik had nog één flauwe hoop. Die avond zijn we ALLE huizen van het blok af geweest, en iedereen beloofde op te bellen zodra Willie ergens gesignaleerd werd. De volgende morgen was ik al om zes uur op en bleef tot negen uur bij de telefoon. Niemand belde, niemand heeft hem meer gehoord of gezien. Het is onmogelijk dat hij uit de tuinen gekomen is, want hij vloog pas voor het eerst, hoogstens een verdieping hoog. En zijn enige verlangen was mensen te vinden die hem iets toe zouden stoppen om zijn honger te stillen. Die mensen hebben hem verraden.
Het is merkwaardig hoe zijn lot me veel meer heeft aangegrepen dan de dood van Snorretje, die we vijftien jaar gehad hebben, en waar we zo op gesteld waren. Die was oud geworden, en hoewel zijn ziekte onverwacht was wist ik dat we alles voor hem gedaan hadden, en dat hij tevreden is ingeslapen. Hij liet alleen prettige herinneringen achter.
Maar hier verwijt ik me dat ik mijn intuïtie niet volgde. Twee keer tijdens dat rotte TV stuk had ik de impuls het maar te laten zitten en eens de tuin in te lopen. Dan had ik gemerkt dat hij bij de buren zat. Daarna had ik de impuls bij alle mij bekende buren aan te lopen. Maar Rie zei ' Die komt morgenochtend uit zichzelf wel terug ' en ik volgde de fatale weg van de minste weerstand. Had ik TOEN bij Maai gezegd dat we een kraai hadden en dat hij weg was, dan had Maai hem ons de volgende morgen terugbezorgd. We hebben het beest verraden dat zo volledig van ons afhankelijk was. Maar één keer in mijn leven heb ik hetzelfde wanhopige gevoel van machteloosheid eerder gehad.
Ik probeer me af te vragen wat Willie betekent heeft. Van nature ben ik bang van vogels. Voor deze heb ik een intense liefde gehad. Soms geloof ik dat zijn komst een voorteken geweest is. De raaf was bij de Romeinen een heilig dier dat de toekomst kon voorzien. Vreemd hoe twee Latijnse woorden haast gelijk zijn : avis ( vogel ) en aves ( voorteken ). Nu de derde dag, is de leegte ook weer weg, heeft plaatsgemaakt voor een grote weemoed.
Hij blijft voortdurend in mijn gedachten, maar het is soms of hij er is. In een van de bomen van de tuin is een klus bladeren, en tegen het licht in is het net of hij daar zit. Misschien zit hij er wel. Want ik weet nu dat ook vogels een ziel hebben en een voortbestaan. Die zal zijn huis tenslotte wel teruggevonden hebben. Maar het zelfverwijt blijft.
------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------